1994 mager jaar voor helft beeldend kunstenaars

1994 mager jaar voor helft beeldend kunstenaars

Persbericht | 24-04-1996 | Directie Communicatie



Bijna de helft (49 procent) van de beeldend kunstenaars verdiende in 1994 minder dan in 1993. Iets minder dan de helft (47 procent) verdiende in 1994 juist meer dan het jaar daarvoor. De kunstenaars die in 1994 meer verdienden zijn, in tegenstelling tot hen die minder verdienden, over het algemeen wat jonger en minder lang werkzaam als zelfstandig kunstenaar. De totale inkomsten minus de beroepskosten waren in 1994 166 miljoen gulden. Ten opzichte van 1993 was dit 43 miljoen gulden minder. Dit zijn de belangrijkste uitkomsten van een onderzoek naar de financiële positie van beeldend kunstenaars dat de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO), verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen uitvoerde. Het onderzoek is aangeboden aan staatssecretaris Nuis.
Gemiddeld had bijna de helft van de beeldend kunstenaars (49 procent) in 1994 een inkomen tussen de vijftien- en vijfentwintigduizend gulden. Eén procent verdiende net als in 1993 meer dan een ton en elf procent had in 1994 een negatief eindsaldo.
In 1994 blijkt dat het grootste deel van de inkomsten komt uit verkoop van vrij werk (65 miljoen gulden). Zestig miljoen gulden werd verkregen uit subsidies, lesgeven en advisering. Opdrachten van overheden, bedrijven en particulieren leverden de kunstenaars 52 miljoen gulden op. Ten opzichte van 1993 is dit de enige bron van inkomsten die gestegen is. Tenslotte werd er 9 miljoen verkregen uit verhuur en gebruiksrecht van kunstwerken. Buiten de kunstenbranche om verwierven kunstenaars 113 miljoen gulden uit uitkeringen, via ander werk, pensioen en BTW. Hieruit blijkt dat kunstenaars kun inkomsten uit diverse bronnen verwerven.
Als de totale inkomsten afgezet worden tegen de in 1994 gemaakte beroepskosten, blijft er circa 166 miljoen gulden over. In 1993 was dit bedrag 209 miljoen gulden. De totale omzet min de beroepskosten uit beeldende kunst alleen, bedraagt 53 miljoen gulden. SEO herhaalt dit onderzoek sinds 1994 jaarlijks met het doel inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de financiële positie van de beeldend kunstenaars. Ruim 500 beeldend kunstenaars hebben aan het onderzoek meegewerkt.
De resultaten van dit onderzoek zullen een rol spelen bij de voorbereiding van de Cultuurnota en bij de ontwikkeling van het flankerend beleid bij de Wet Inkomen Kunstenaars.

Achtergrondinformatie
Sinds de afschaffing van de BKR (Beeldende Kunst Regeling) eind jaren tachtig heeft de overheid verschillende manieren gezocht om het klimaat voor kunstenaars te stimuleren. Enerzijds om het aanbod te verbeteren door stipendia en werkbeurzen beschikbaar te stellen; anderzijds om de afname te bevorderen door marktstimulerende maatregelen te treffen. Het effect van deze maatregelen is in de cijfers van de onderzoeken naar de financiële positie in 1993 en 1994 nog niet nauwkeurig te bepalen.
Zo is het bijvoorbeeld nog niet duidelijk of kunstenaars die in 1993 en 1994 een tweejarig basisstipendium kregen bij het Fonds voor de Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst financieel succesvol zullen blijven. Anderzijds heeft staatssecretaris Nuis ter stimulering van de afname van kunst de rentesubsidieregeling gehandhaafd, die in 1994 op de nominatie stond te worden stopgezet.

Velden aangegeven met een * zijn verplicht.

Stuur door

Stuur door

Vul in onderstaande velden uw gegevens in.


Uw bekeken dossiers

Verwante sector