03-02-2009 | Directie Media, Letteren en Bibliotheken
Sinds de invoering van het duale stelsel begin jaren negentig bestaan er in Nederland publieke én commerciële omroepen. Het aantal zenders is daardoor enorm toegenomen. De omroepmarkt in Nederland wordt gezien als de meest competitieve van Europa: in verhouding tot het aantal inwoners heeft Nederland veel zenders.
Het bestaan van meerdere publieke omroeporganisaties die samen de publieke omroep vormen, is typisch iets Nederlands. In andere landen bestaat de publieke omroep vaak uit maar één organisatie (zoals de BBC in Engeland). Naast de landelijke publieke omroep en de commerciële omroepen, bestaan er in Nederland ook (publieke) regionale en lokale omroepen. Voor Nederlanders in het buitenland is er de Wereldomroep.
Overheidsbemoeienis
In het overheidsbeleid krijgt de landelijke publieke omroep de meeste aandacht. De wettelijke regels voor omroepen staan beschreven in de Mediawet. Voor de publieke omroep gelden ook meer regels dan voor de commerciële omroepen. De publieke omroep wordt namelijk grotendeels betaald door de overheid en is verzekerd van radio- en televisiefrequenties. De publieke omroep kan gratis ontvangen worden via de digitale ether (dit noemen we free-to-air). Kabelmaatschappijen zijn daarnaast wettelijk verplicht Nederland 1, 2 en 3 door te geven via de kabel (dit noemen we de must-carry).
Maar aan de regels van de overheid worden duidelijke grenzen gesteld: de overheid mag zich niet bemoeien met de inhoud van de uitzendingen. De omroepen hebben programmatische autonomie. Dat wil zeggen dat alleen de omroepen zelf kunnen beslissen over vorm en inhoud van de programmering. De overheid heeft hier geen enkele invloed op. Dat zou in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting.