22-12-2009 | Directie Media, Letteren en Bibliotheken
De Nederlandse publieke omroep is uniek in de wereld door zijn bijzondere organisatiestructuur: private organisaties met een zendmachtiging (omroepen en een aantal andere non-profitorganisaties) delen de zendtijd op de publieke radio- en televisiezenders. Zij vormen samen de landelijke publieke omroep. De verschillende organisaties hebben hun zendmachtiging gekregen op grond van:
Toekomstverkenning Publieke Omroep
Minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap organiseert een toekomstverkenning voor de landelijke publieke omroep. De verkenning heeft de vorm van een open consultatie. Hier staat het consultatiedocument, waarin uiteen is gezet wat de uitgangspunten, onderwerpen en vragen van de verkenning zijn. Alle organisaties en burgers die zich bij het onderwerp betrokken voelen, kunnen reageren. De consultatie sluit op 15 maart 2010. Voor de zomer van 2010 zal de minister van OCW de reacties samenvatten en opties voor wetswijziging beschrijven in een eindrapportage voor het parlement. Keuzes zijn aan een volgend kabinet.
Reacties richt u aan:
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
t.a.v. dr. R.H.A. Plasterk
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag
Omroepverenigingen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een 'erkenning'. Een erkenning betekent dat zij door de overheid erkend worden als omroep en recht hebben op een plaats in het bestel. Zij krijgen zendtijd en een deel van het omroepbudget van de overheid. Deze voorwaarden zijn:
De publieke omroep telt momenteel acht omroepverenigingen (NCRV, KRO, VARA, AVRO, VPRO, TROS, EO en BNN) en twee aspirant omroepverenigingen (Llink en Max).
Naar bovenNaast de omroepverenigingen zijn er nog vier andere typen organisaties die onder de paraplu van de Landelijke Publieke Omroep ook voor zendtijd in aanmerking komen:
De Erkenningswet concentreert zich op de publieke omroep. In deze wet staan nieuwe regels voor de erkenning en financiering van omroepverenigingen. De Erkenningswet is geen nieuwe wet, maar een wijziging van delen van de Mediawet 2008. Het wetsvoorstel wordt in 2009 door de Tweede en Eerste Kamer behandeld.
Met de Erkenningswet wil de regering de eigenheid van het Nederlandse omroepbestel erkennen en beschermen. Het bestel blijft open staan voor omroepverenigingen met voldoende maatschappelijke steun. Voor nieuwkomers blijft de drempel 50.000 leden en voor bestaande omroepen 150.000 leden.
Wel wordt beter dan in voorgaande jaren gekeken naar de toegevoegde waarde van nieuwkomers. Zij moeten een andere stroming vertegenwoordigen, andere soorten programma's maken én andere doelgroepen bereiken. De Erkenningswet legt de lat ook hoger voor bestaande omroepen. Na een negatieve beoordeling van de visitatiecommissie krijgt een omroep nog eens 2 jaar om zich te verbeteren, waarna een extra visitatie volgt. Is de beoordeling opnieuw negatief, dan kan de minister van OCW besluiten om de erkenning in te trekken. De omroep verdwijnt dan uit het bestel. Met deze twee maatregelen wil de regering voorkomen dat publieke middelen en zendtijd zeer versnipperd raken en het bestel onwerkbaar wordt.
Verder verandert de relatie tussen het ledental en de hoeveelheid geld en zendtijd die een omroepvereniging krijgt. Nu hebben omroepen met minimaal 300.000 leden een A-status. Zij krijgen tweemaal zoveel vast budget als omroepen met minimaal 150.000 leden. De Erkenningswet heft dit onderscheid tussen A- en B omroepen op. Alle omroepen met minimaal 150.000 leden krijgen voortaan eenzelfde basisbedrag. Dit budget staat voor de duur van de erkenning, dus 5 jaar, vast. Daar bovenop krijgen zij, ook voor 5 jaar, een vast bedrag naar rato van het aantal leden. Deze zogenoemde glijdende schaal vervangt de A- en B-status en zorgt ervoor dat omroepen die onder de grens van 300.000 leden zakken niet in één klap de helft van hun budget verliezen. Aan de andere kant worden omroepen die leden behouden daarvoor meer dan nu beloond.
Alle omroepverenigingen kunnen nu jaarlijks bovenop hun vaste budget een aandeel verwerven in het versterkingsbudget dat de raad van bestuur verdeelt. Dit 'vrije' geld blijft bestaan en is nodig om een evenwichtige programmering te bereiken. Het versterkingsbudget is nu alleen bestemd voor radio en televisie. Daarnaast verdeelt de raad van bestuur een (ander) budget voor nieuwe diensten als websites, digitale themakanalen en mobiele diensten. In de Erkenningswet worden deze twee budgetten samengevoegd tot een multimediaal versterkingsbudget. Dit bedraagt 30% van het totaalbudget voor omroepen.
In september 2006 is de publieke omroep begonnen met een nieuwe zenderindeling. In plaats van het 'thuisnetmodel' introduceerde de raad van bestuur het programmeermodel. In het thuisnetmodel maakten alle omroepen vooral programma's voor hun eigen thuisnet. Dat was Nederland 1, 2 of 3. In het huidige model, het programmeermodel, maken de omroepen programma's voor de hele publieke omroep. Deze programma's worden vervolgens verdeeld over de verschillende netten op basis van hun genre. De drie netten hebben elk een eigen profiel gekregen, zodat de programma's voor het publiek op een logische plek te vinden zijn:
Sinds de introductie van het programmeermodel gaat het een stuk beter met de publieke omroep. De kijkcijfers en het marktaandeel stegen. Nederland 1 werd zelfs weer marktleider, met in 2008 een marktaandeel van 21,1% overdag en 22,5% 's avonds.
Sinds de opkomst van nieuwe digitale diensten als het internet, beperkt het werk van de publieke omroep zich niet alleen meer tot omroep. Omroep is de traditionele benaming voor radio en televisie. De publieke omroep biedt bijvoorbeeld ook digitale themakanalen aan als Politiek24 en Cultura. Een hele succesvolle dienst van de publieke omroep is Uitzending Gemist. Via de website Uitzending Gemist kunnen mensen de uitgezonden programma's van de publieke omroep later bekijken, op een tijdstip dat hen uitkomt. Met de inwerkingtreding van de Mediawet 2008 horen dergelijke digitale diensten formeel tot de hoofdtaak van de publieke omroep.
Naar boven