Kwaliteit onderwijs

Publicatie | september 2008

Doelstelling 37: Verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door primair, voortgezet, en beroepsonderwijs (po, vo en bve) naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs (ho) aan te laten sluiten

Onderwijs draait om talenten van jongeren én om de onderwijsinhoud die jongeren nodig hebben voor persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren. Het doel van dit kabinet is om de opbrengst van het onderwijs en in het bijzonder dat van het taal- en rekenonderwijs te verhogen.

Rekenen en taal

Begin 2008 heeft de expertgroep 'Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen' (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31332, nr. 1) haar eindrapport uitgebracht. Op basis van dit rapport wil OCW dat in 2011 de gemiddelde leerprestaties van alle groepen leerlingen voor taal en rekenen aantoonbaar zijn gestegen ten opzichte van 2005. Ook moeten de resultaten voor taal en rekenen en wiskunde tijdens de schoolperiode ten minste op het niveau liggen dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Duidelijk vastleggen wat leerlingen aan het eind van elke onderwijssector, op het terrein van taal en rekenen moeten kennen en kunnen. Dit gebeurt samen met het onderwijsveld door het wettelijk vastleggen van de referentieniveaus.
  • In het po objectief en gevalideerd vaststellen of de leerlingen voldoen aan de basiskennis en basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen. De examenprogramma’s in het voortgezet onderwijs worden geijkt op de (definitief vastgestelde) referentieniveaus. In het mbo wordt voor rekenen en taal een centrale examinering ingevoerd, zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van het mbo bij de verschillende kwalificatieniveaus. Het taal- en rekenonderwijs op de pabo’s en de tweedegraads lerarenopleidingen wordt geoptimaliseerd. De referentieniveaus worden verwerkt in de leerlingvolgsystemen.

In totaal wordt in drie leerjaren (2008/2009, 2009/2010, 2010/2011) over de sectoren heen ruim € 115 miljoen geïnvesteerd.

Naar boven

Gewichtenregeling primair onderwijs

Dit kabinet stelt met ingang van schooljaar 2009/2010 meer geld beschikbaar voor scholen in de zogenoemde impulsgebieden: gebieden met veel armoede. Hiervoor wordt de gewichtenregeling zodanig gewijzigd dat er meer rekening gehouden wordt met de sociaal-economische omgeving waarin kinderen opgroeien.

Vanaf het schooljaar 2008-2009 wordt de algemene drempel in de gewichtenregeling verlaagd naar 6%. Scholen met 6% achterstandskinderen kunnen dan aanspraak maken op de gewichtenregeling. Samen met de maatregelen op het gebied van vve (zie doelstelling 39) en de voortzetting van de schakelklassen, moet dit leiden tot een vermindering van 40% van de taalachterstanden in 2011 ten opzichte van 2002. Hiervoor is in 2009 € 10 miljoen extra beschikbaar.

Naar boven

Passend onderwijs

Dit kabinet wil de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs die extra ondersteuning nodig hebben, verbeteren. Aanleiding voor deze herziening is dat uit evaluatie blijkt dat er naast positieve punten ook een aantal knelpunten zijn.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • De verantwoordelijkheid voor een passend onderwijsaanbod bij de schoolbesturen leggen. Schoolbesturen krijgen de verantwoordelijkheid om voor alle leerlingen die worden aangemeld/staan ingeschreven een passend onderwijszorgaanbod te verzorgen. Om dit te realiseren gaan scholen samenwerken in regionale netwerken. Deze netwerken ontstaan door de huidige samenwerkingsverbanden in het po, vo en (v)so (voortgezet speciaal onderwijs) te verbinden (proces van 'onderop'). Hierdoor zullen meer leerlingen een passend onderwijsaanbod krijgen (resulterend in een kwalificatie) en minder leerlingen uitvallen. In 2011 moet er een landelijk dekkende infrastructuur zijn van regionale netwerken. Doel voor 2009 is een dekking van 20%.
  • Kerndoelen en leerlijnen invoeren. Om de kwaliteit en doelgerichtheid te verbeteren worden kerndoelen en leerlijnen ingevoerd in het (v)so en wordt het kwalificatiesysteem aangepast. In 2011 dient het aantal scholen onder intensief toezicht (betreft de risicovolle, zwakke en zeer zwakke scholen) in het speciaal basisonderwijs en het (v)so afgenomen te zijn tot 12%. Voor 2009 is het doel resp. 30 en 40%. 

OCW investeert oplopend tot 2011 € 60 miljoen in het Passend onderwijs. In de beleidsuitvoering wordt nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van de minister van Jeugd en Gezin (J&G). De minister van J&G is verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en preventieve domein wordt geleverd.

Naar boven

Onderwijstijd

De Inspectie heeft in 2007 bij 120 bve-opleidingen en 76 vo-scholen een onderzoek uitgevoerd naar de naleving van de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd voor het schooljaar 2006-2007. 72 vo-scholen voldeden niet aan de wettelijke norm voor onderwijstijd, 15 vo-scholen zodanig dat dit wordt aangemerkt als buitensporig niet-normconform. Bij de bve-opleidingen constateerde de Inspectie een beperkte verbetering in de naleving van onderwijstijd. Ook werd geconstateerd dat negen instellingen onvoldoende uren hadden (geprogrammeerd en / of) gerealiseerd. Al deze scholen vallen in het schooljaar 2007-2008 onder verscherpt inspectietoezicht.

Over onderwijstijd in het vo en bve is al een aantal keer gesproken met de Tweede kamer. In deze debatten is toegezegd dat voor vo een kwalitatief onderzoek naar de onderwijstijd wordt uitgevoerd (door de commissie 'Onderwijstijd' o.l.v. Clemens Cornielje). Ten behoeve van het onderzoek is een aantal richtinggevende uitgangspunten meegegeven: een wettelijke norm als zodanig blijft nodig, de inhoud en kwaliteit van het onderwijsprogramma staan niet ter discussie en de financiële kaders worden gevormd door het thans geldende budget. OCW verwacht de conclusies en aanbevelingen van de Commissie in december 2008. Voor de bve-sector is toegezegd, dat een evaluatie naar de 850-urennorm wordt uitgevoerd. Dit onderzoek staat los van het toezicht door de inspectie en wordt in 2009 uitgevoerd. De uitkomsten zullen in 2010 met de Tweede Kamer worden besproken. Voor bve-instellingen is het streven 10% verbetering, dit betekent dat zo'n 86% van de opleidingen die gecontroleerd worden voldoen aan de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd.

Naar boven

Overgang vmbo – mbo – hbo

De verschillende overgangen in de beroepskolom zijn voor veel leerlingen en studenten nog steeds een kwetsbaar moment. Voortijdige schooluitval (zie ook project Aanval op de uitval) is dan ook vooral geconcentreerd rond de verschillende overgangen. OCW wil de overgangen tussen vmbo-mbo-hbo beter en efficiënter maken. Daarom gaat OCW onder andere door middel van experimenten (vmbo-mbo2 voor schooljaar 2008-2009 en Associate degree, twee jarige hbo-opleiding, op locatie van een mbo-onderwijsinstelling in 2009) onderzoeken hoe de doorstroom in de beroepskolom is te verbeteren.

Naar boven

Zorgvuldige invoering competentiegerichte kwalificatiestructuur in het mbo

Het mbo moet studenten de garantie bieden dat ze goed voorbereid zijn op zowel de samenleving als op de arbeidsmarkt. Daarom is het belangrijk dat het onderwijs dat ze hebben genoten goed aansluit op de wensen en behoeften van de arbeidsmarkt. Om deze doelen te bereiken wordt op dit moment het mbo gemoderniseerd. Dat houdt in dat de oude (op eindtermen gebaseerde) opleidingen, worden omgevormd tot nieuwe opleidingen die gebaseerd zijn op nieuwe kwalificatiedossiers. Het streven is om in 2010 de kwalificatiestructuur voor alle dan startende studenten gereed te hebben. In 2009 zal daartoe een evaluatie plaatsvinden.

OCW verwacht dat met de omvorming van opleidingen de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt soepeler zal verlopen en dat het onderwijs door studenten als aantrekkelijker wordt ervaren. Voor de verdere verbetering van de aansluiting op de arbeidsmarkt gaat OCW de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bvp) verhogen en zorgen dat alle studenten een passende bvp-plaats vinden. Regionale partijen worden gestimuleerd met elkaar afspraken te maken over de afstemming tussen de vraag en aanbod van opleidingen, die moeten uitmonden in een Regionale Agenda Arbeidsmarkt - Beroepsonderwijs. Gestart wordt in drie à vier regio’s.

Naar boven

Evidence based onderwijs

Bij het verbeteren van de onderwijskwaliteit staat centraal: het systematisch evalueren van onderwijsopbrengsten door leraren en schoolleiders, het versterken van de handelingsbekwaamheid van leraren en het gebruik van evidence based, succesvolle methodieken. Deze aanpak sluit aan bij de kwaliteitsagenda’s van de verschillende sectoren.

Het stimuleren van evidence based onderwijs wordt wat betreft het onderwijsbeleid vorm gegeven door vaker gebruik te maken van experimenten, zoals op het gebied van referentieniveaus rekenen en taal, overgang vmbo-mbo, stages, hoogbegaafdheid, lerarentekort en voortijdig schoolverlaten. Ook zorgt OCW ervoor dat scholen beter kunnen profiteren van resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

Om evidence based onderwijs te stimuleren heeft OCW in 2008 het Top Institute for Evidence Based Education Research (TIER) opgericht. TIER betreft een onderzoeksprogramma waarin drie universiteiten samenwerken (Universiteit van Amsterdam, Universiteit Maastricht en Universiteit Groningen). OCW heeft een subsidie verstrekt aan TIER van jaarlijks € 1 miljoen voor de periode van 5 jaar. Het instituut verricht onderzoek naar evidence based onderwijs en evidence-based onderwijsbeleid. De focus daarbij is onderwijskundig en economisch. In 2009 doet TIER onder andere onderzoek naar schoolkeuze, leerprestaties en de kwaliteit van leraren, voortijdig schoolverlaten en de niet-monetiare opbrengsten van onderwijs.

Daarnaast voert Senter Novem momenteel het Actieprogramma 'Onderwijs Bewijs' uit. Doel van dit programma is om via wetenschappelijke experimenten kennis te krijgen over wat werkt en niet werkt in het primair en voortgezet onderwijs. Scholen én onderzoeksinstellingen kunnen gezamenlijk projectvoorstellen indienen. Voor het programma is voor de periode 2007-2010 een budget beschikbaar van ongeveer € 25 miljoen.

Naar boven

Bestuur en toezicht

Verminderen regeldruk en administratieve lasten.

OCW wil de administratieve lasten voor onderwijsinstellingen verlichten. Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving voor instellingen toetsen of de lastenconsequenties van wijzigingen in wet- en regelgeving zijn aangegeven.
  • Bestaande werkwijzen en wetgeving aanpassen. De komende jaren zet OCW in op lastenverlichting voor scholen via het verminderen van toezichtlasten door het samenvoegen van toezichthouders, het invoeren van risicogericht toezicht, de invoering van het onderwijsnummer in het PO en het vereenvoudigen van de melding en registratie van verzuim.
  • Onderzoek uitvoeren. In 2008 is een onderzoek naar de reductie van subsidieregelingen in gang gezet. Met dit onderzoek wordt nagegaan of het aantal subsidieregels en regels over aanvullende bekostiging (verder) kan worden verminderd en hoe de overgebleven regels kunnen worden vereenvoudigd, geharmoniseerd, of praktischer en met minder uitvoeringslasten kunnen worden ingericht.
  • De regeldruk voor professionals verminderen. Gebleken is dat leraren nog weinig merken van de inspanningen op het gebied van deregulering, daarom wordt in opdracht van OCW onderzocht welke regels 'neerslaan' op professionals en welke regels zij onnodig als belastend ervaren.

Inspectie

In overleg met de Tweede Kamer zijn de uitgangspunten bepaald voor vernieuwing van het toezicht. Centraal daarin staat het uitvoeren van risicogericht toezicht. Jaarlijks stelt de Inspectie op basis van een analyse van opbrengsten, jaarstukken en signalen voor elke school een toezichtarrangement vast. Bij scholen waar geen tekortkomingen of risico’s zijn, onderneemt de Inspectie geen verdere actie. Er is hier sprake van 'verdiend vertrouwen'. De scholen die een verhoogd risico hebben op het leveren van onvoldoende kwaliteit krijgen bijzondere aandacht van de Inspectie.
Alle scholen, ook de scholen zonder tekortkomingen of risico's, worden minimaal éénmaal in de vier jaar bezocht. Dit kan in het kader zijn van een regulier onderzoek, een themaonderzoek of een onderzoek voor het Onderwijsverslag. In de loop van 2009 zal een voorstel voor wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Principes van Goed Bestuur

Voor de onderwijssectoren po/vo wordt eind 2008 Goed Bestuur-wetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze wetgeving worden op de sector toegesneden voorstellen gedaan voor de realisering van een aantal basisprincipes van goed bestuur zoals de scheiding van de functies bestuur en intern toezicht, ruimte voor interne zeggenschap van docenten en de verantwoording aan belanghebbenden in en rond de school (zgn. horizontale verantwoording) en nadere interventiemogelijkheden.

Voor de bve-sector heeft de Tweede Kamer in april 2008 ingestemd met een wetsvoorstel waarin de scheiding tussen bestuurder en interne toezichthouder bij onderwijsinstellingen wordt geregeld. De verwachting is dat het wetstraject in 2008 kan worden afgerond. De bve-instellingen hebben een eigen governance-code ontwikkeld en geïmplementeerd. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen zij jaarlijks verantwoording afleggen over de omgang met de code in het geïntegreerd jaardocument dat vanaf verslagjaar 2009 gebruikt zal worden.

Naar boven

Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Doelstelling 11: Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Het kabinet wil het studiesucces van studenten en de kwaliteit van het hoger onderwijs verhogen. In de strategische agenda voor het hoger onderwijs en het onderzoeks- en wetenschapsbeleid 'Het Hoogste Goed' (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31288, nr. 1) staan de ambities OCW op dit gebied beschreven. Concreet gaat het om:

  • Verhogen studiesucces en onderwijskwaliteit en verminderen van uitval van studenten uit de bachelorfase.
  • Verhogen van het rendement van niet-westerse migranten. Het rendement van niet-westerse migranten is in 2014 zoveel mogelijk ingelopen op het rendement van autochtonen (verschil is nu nog ca. 20%).
  • Verhogen van excellentie in bachelor –en masteropleidingen en het aantrekken van meer excellente studenten.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

Meer geld uitgeven aan de uitvoering van de strategische agenda 'Het Hoogste Goed'. Over de besteding zijn meerjarenafspraken gemaakt, die op twee manieren vorm krijgen: tussen overheid en de hoger onderwijssector en tussen de overheid en één of meer instellingen. Daarnaast komt er meer geld voor excellentie (via het Sirius-programma en Huygens Scholarship Programme-beurzen voor talentvolle studenten). Om te kunnen beoordelen of de extra investeringen leiden tot de gewenste resultaten, volgt OCW de onderwerpen in deze strategische agenda jaarlijks aan de hand van gegevens over studiesucces, kwaliteit en differentiatie.

Daarover doet OCW jaarlijks verslag in het document Kennis in Kaart, te beginnen in 2009. Dit document beschrijft de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het stelsel, maar ook de voortgang van de belangrijkste beleidsdoelen. Mocht blijken dat de resultaten achterblijven, dan treft het kabinet maatregelen. Zo kan het aan de lumpsum toegevoegde budget stopgezet worden als instellingen onvoldoende aan de ambities bijdragen. Dan kan gekozen worden het budget doelmatiger te besteden via besteding grond van afspraken met afzonderlijke instellingen of aan andere prioriteiten.

Het gaat hier om een aanpak vanuit vertrouwen, die past bij de ambities voor het hoger onderwijs in Nederland: sterke, autonome instellingen en een overheid met een scherp zicht op de prestaties van deze instellingen. In de voortgangsrapportage van de strategische agenda (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31288, nr. 31) wordt verder ingegaan op de ambities en de gemaakte meerjarenafspraken.

Naar boven

Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst

Doelstelling 38: Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst.

Leraren hebben de hoofdrol als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Zij moeten meer ruimte krijgen voor hun belangrijkste taak: het geven van goed en gedegen onderwijs. Vanaf 2010 dreigt door de vergrijzing een fors tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs (3.300 leraren in 2011). In het basisonderwijs wordt een tekort aan schoolleiders verwacht. Zonder maatregelen zal het tekort aan schoolleiders in deze sector oplopen tot 500 in 2011. De vervangingsvraag in het mbo stijgt in 2010 naar 1.860 leraren.

Eind november 2007 kwam OCW met een actieplan: 'LeerKracht van Nederland' (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 27923, nr. 45). Met dit uitgebreide pakket aan maatregelen reageert het kabinet op het advies van de Commissie Leraren en het advies van de Onderwijsraad 'Leraarschap is eigenaarschap' (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 27923, nr. 53). Op 16 april 2008 heeft minister Plasterk met de sociale partners in het onderwijs een akkoord over het actieplan gesloten. De afspraken zorgen voor een flinke verbetering van de kwaliteit van het lerarenkorps en dragen daarmee bij aan de kwaliteit van het onderwijs.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • De waardering voor het leraarschap verhogen. De 'professionele ruimte' van de leraar wordt verankerd in de sectorwetten. Uitgangspunt is dat de leraar in de dagelijkse onderwijspraktijk over voldoende ‘professionele ruimte’ moet beschikken om zijn werk goed te kunnen doen.
  • Leraren beter belonen (met een sterk accent op opleiding en prestaties) en zorgen voor een beter loopbaanperspectief. In het convenant Leerkracht van Nederland zijn per sector afspraken gemaakt over de invoering van meer hogere leraarsfuncties ('functiemix'). Per 1 augustus 2010 wordt hiermee een start gemaakt. Vanaf 1 januari 2009 zullen de salarislijnen in de sectoren po, vo en bve worden ingekort. In de sectoren vo en bve komt extra geld  beschikbaar voor een nieuw 'functiegebouw' in de Randstadregio’s en Almere. Door verbetering van de beloning wordt het beroep van leraar aantrekkelijker en zullen meer mensen kiezen voor een baan in het onderwijs.
  • Concrete afspraken maken met de Inspectie over de inbedding van het toezicht op het leraarschap in het nieuwe (risicogerichte) toezicht. OCW verwacht dat scholen hierdoor meer gaan investeren in hun human capital.
  • De positie van leraren in de school versterken. Vanaf 1 augustus 2008 is er een scholingsfonds voor leraren. Elke leraar kan éénmaal in zijn loopbaan een beroep doen op het scholingsfonds om een opleiding te volgen voor een hoger kwalificatieniveau. OCW verwacht dat dit een positief effect heeft op de professionaliteit van leraren, op de kwaliteit van het onderwijs en op de aantrekkelijkheid van het beroep.
  • Professionaliteit schoolleiders bevorderen. Goede schoolleiders zijn onmisbaar voor professionele scholen. Zij hebben een centrale rol in het personeelsbeleid. Vanaf najaar 2008 gaat OCW met scholen, instellingen en beroepsgroep in gesprek over versterking van de professionaliteit van schoolleiders.
  • Meer oudere leraren in het onderwijsproces houden. In het convenant Leerkracht van Nederland is afgesproken dat sociale partners in hun CAO-overleg vóór 1 januari 2010 afspraken maken over het realiseren van een regeling om ouderen langer in het onderwijsproces te laten functioneren.
  • In samenspraak met lerarenopleidingen, scholen en instellingen werken aan de ontwikkeling van een kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren. Deze agenda wordt na de zomer van 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze agenda staan voorstellen om de kwaliteit van de initiële opleiding te verhogen. Onder andere door de ontwikkeling van gezamenlijke eindtermen en toetsen en het verder professionaliseren van leraren die al actief zijn in het onderwijs.
  • Extra ruimte maken voor innovatie in het onderwijs om het lerarentekort op te lossen. Voorstellen hiervoor worden ingediend voor de FES-ronde waarover het kabinet begin 2009 beslist (max. € 90 miljoen).

Het kabinet trekt voor deze plannen honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot ruim € 1 miljard in 2020.

Naar boven

Project Aanval op de schooluitval

Dit kabinet wil schooluitval voorkomen. Schooluitval is een groot maatschappelijk, sociaal én een individueel probleem. De door het vorige kabinet ingezette 'aanval op de uitval' heeft geholpen, maar niet genoeg. Om te komen tot halvering van het aantal schooluitvallers wordt het offensief voortgezet en versterkt. Het is nodig de lat hoog te leggen, omdat schoolverlaters zonder een startkwalificatie twee keer zo vaak geen baan hebben als jongeren die wel een startkwalificatie hebben en vijf keer zo vaak het criminele pad op gaan als jongeren die wel een startkwalificatie hebben. Er wordt hierdoor veel talent en arbeidskracht verspild. Scholen, gemeenten, CWI, zorginstellingen, justitie, politie en het regionale bedrijfsleven dragen allemaal bij aan de strijd tegen schooluitval. Zij weten als geen ander waar 'de gaten' vallen en wat op regionaal niveau nodig is om de uitval nog verder terug te dringen. Scholen en gemeenten hebben hierbij een sleutelrol en werken daarbij nauw samen met bovenstaande kentenpartners.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de aanpak van het verzuim en moeten zorgen dat uitvallers weer terug in de schoolbanken komen. Hierbij werken zij samen met het regionale bedrijfsleven. Ook moeten ze zorgen voor een lokale zorgstructuur en samenhang tussen de schakels in de jeugdketen ('ketenregisseur'). Contactgemeenten van RMC-regio’s hebben de regie, zij maken afspraken met scholen en andere 'regiopartners', creëren een regionaal netwerk, coördineren verzuimmeldingen, en doen de registratie en doorverwijzing.

Dit kabinet heeft zich ten doel gesteld het aantal schoolverlaters terug te brengen van 53.100 in het schooljaar 2006-2007 tot 35.000 in het schooljaar 2010-2011 (dit wordt bekend in 2012). Voor het schooljaar 2008-2009 betekent dit een reductie van circa 4.500 (dit wordt bekend in 2010). Het geld voor de landelijke programma’s is een aanvulling op het geld dat al via de vierjarige convenanten beschikbaar was om deze reductie mogelijk te maken.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Extra aandacht besteden aan een soepele overgang van vmbo naar mbo. Het vmbo en het mbo kunnen samen een aantal preventieve maatregelen nemen om de kans op een succesvolle overgang te vergroten.
  • Zorgen dat de loopbaanoriëntatie, studiekeuze en begeleiding van leerlingen verbeterd wordt. Loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) staat voor een breed scala aan maatregelen voor het op weg helpen van leerlingen/deelnemers naar een passende (vervolg-)opleiding / beroep. Uitgaande van deze benadering omvat LOB naast studie- en beroepskeuzeoriëntatie ook mentoring, coaching en persoonlijke begeleiding.
  • Meer en betere zorg op school ondersteunen. Meer en betere zorg betekent dat elke jongere die zorg nodig heeft, die moet kunnen krijgen. Scholen spelen hierin een centrale rol: jongeren zijn via scholen te bereiken en school is ook vaak de plek waar jongeren begeleid kunnen worden. De ervaring leert dat een Zorg- en Advies Team (ZAT) een goede manier is om de interne zorg voor een jongere af te stemmen op de externe zorg. Hierbij spelen de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s) een belangrijke rol.
  • Het onderwijs aantrekkelijker maken door sport en cultuur. Traditionele onderwijsvormen blijken niet altijd voldoende om jongeren te motiveren om op school te blijven. Vernieuwende onderwijsvormen op het gebied van sport en cultuur, die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren, kunnen het onderwijs voor jongeren aantrekkelijker maken.
  • Meer ruimte bieden aan vmbo-scholieren die het best leren met hun handen. Vmbo-scholen en roc’s gaan samen programma’s ontwikkelen voor leerlingen die graag met hun handen werken. Er zijn tien vmbo-scholen die dit schooljaar zijn begonnen met vakcolleges. Aandachtspunten hierbij zijn het regionale bedrijfsleven (vanaf het derde leerjaar gaan de leerlingen werken bij bedrijven in de regio), meer techniekonderwijs en integratie vmbo-mbo. De vakcolleges bieden een zesjarige opleiding aan die leidt tot een startkwalificatie (mbo-2). 
  • Experimenten vmbo-mbo2 uitvoeren. Voor een groep van vmbo-scholen is het per 1 augustus 2008 mogelijk om een geïntegreerd traject van vmbo-mbo2 aan leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo aan te bieden. In dit traject is het vmbo-examen geen verplicht onderdeel, het einddoel is een mbo opleiding op niveau 2. Leerlingen in het experiment stappen niet over van de vmbo-school naar het ROC, maar ze blijven in hun vertrouwde omgeving, met leraren die ze al kennen. Het experiment moet het voortijdig schoolverlaten (vsv) van deze groep jongeren, voor wie de overstap van vmbo naar mbo vaak problematisch verloopt, terugdringen.
  • Zorgen voor meer maatwerktrajecten om uitval te voorkomen. Maatwerktrajecten zijn bedoeld voor jongeren tot 23 jaar uit de zwakkere groepen van de beroepsbevolking die wel een startkwalificatie kunnen halen. In deze trajecten werken scholen en onderwijsinstellingen intensief samen met bedrijven, kenniscentra, gemeenten en CWI. Met de FES-middelen 2007 worden naar schatting ruim 11.000 maatwerktrajecten gerealiseerd. Ook de laatste tranche extra FES-middelen 2008 zijn voor dit doel beschikbaar.
  • 20.000 EVC-trajecten (Erkennen Verworven Competenties) ondersteunen voor schooluitvallers van 18 tot 23 jaar. Naast het voorkómen van schooluitval, moeten er ook maatregelen komen voor jongeren die al uitgevallen zijn. Met EVC- of maatwerktrajecten kunnen deze jongeren alsnog een startkwalificatie halen en een plek op de arbeidsmarkt verwerven.

Via het beleidsprogramma vsv worden deze maatregelen op macroniveau tweejaarlijks gemonitord.

Om deze maatregelen uit te kunnen voeren zijn vierjarige convenanten met scholen (BVE-instellingen en scholen in het voortgezet onderwijs) en gemeenten in alle 39 RMC-regio’s afgesloten. Zij moeten de uitval de komende vier jaar met 40% verminderen. Scholen ontvangen € 2.000 per nieuwe vsv‘er minder. De convenantafspraken zijn op basis van 'no cure, no pay'. Naast het geld uit de convenanten, is er extra geld beschikbaar voor het uitvoeren van vsv-programma’s. Per RMC-regio is een bedrag beschikbaar, afhankelijk van het aantal nieuwe vsv-ers in een regio. Dit geld is alleen bestemd voor de scholen. Behalve bij de G4, daar gaat al het geld naar de gemeenten. De complexiteit van de vsv-problematiek bij de G-4 vraagt om meer regie van deze gemeenten.

Gemeenten zetten samen met WWI in de geselecteerde 40 krachtwijken in op het tegengaan van voortijdige schoolverlaten en de herbestemming en herontwikkeling van karakteristiek cultureel erfgoed. OCW geeft in deze wijken prioriteit aan het voorkomen van onderwijsachterstanden.

Om bovenstaande acties te kunnen uitvoeren, is vanaf 2008 extra geld beschikbaar. In 2009 gaat het om € 39 miljoen; dit loopt op tot € 71 miljoen (indicatief) in 2011 Hiervan is circa € 22 miljoen beschikbaar voor de convenanten. Het geld voor de vsv-programma’s is in 2009 circa € 15 miljoen, waarvan € 4,8 miljoen beschikbaar is voor de G-4.

Naar boven

Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen

Doelstelling 40: Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen

Het kabinet wil het aantal brede scholen fors uitbreiden. Het realiseren van een dekkend aanbod van brede scholen in de 40 krachtwijken is hierbij een specifieke doel. Brede scholen bieden door structurele samenwerking met partners uit verschillende sectoren lokaal maatwerk, waardoor de ontwikkelingskansen van kinderen worden vergroot. Gemeenten streven naar 1200 brede scholen in 2010. Het Rijk ondersteunt dit streven. In 2009 wordt de eerstvolgende meting van het aantal brede scholen gehouden. Dan moeten er ongeveer 1100 brede scholen zijn.

 Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Zorgen dat er meer combinatiefuncties komen. Met de 'impuls brede scholen, sport en cultuur' is het de bedoeling dat er in 2012, 2500 combinatiefuncties zijn. Naast geld van de ministeries van OCW en VWS, worden deze combinatiefuncties ook gefinancierd door de deelnemende gemeenten. Met deze structurele formatieplaatsen kunnen brede scholen onder andere het binnen- en buitenschoolse sport- en cultuuraanbod in het primair en voortgezet onderwijs vergroten. Scholen worden zo ondersteund om structureel samen te werken met partners uit andere sectoren. Deze maatregel voorziet in de behoefte van brede scholen aan extra menskracht. In 2009 is vanuit OCW voor de combinatiefuncties € 8,7 miljoen beschikbaar. Daarnaast wordt in 2009 € 11,4 miljoen als onderdeel van het accres van het Gemeentefonds ingezet. 
  • Gemeenten ondersteunen bij het realiseren van multifunctionele accommodaties. Sinds 2008 is er een stimuleringsarrangement voor de realisatie van multifunctionele accommodaties in het primair onderwijs. Multifunctionele huisvesting vergroot de mogelijkheden voor samenwerking van brede scholen, maar het lukt gemeenten niet altijd om op tijd in geschikte multifunctionele gebouwen te voorzien. Het arrangement stimuleert gemeenten ook om bij de realisatie van de multifunctionele schoolgebouwen zo mogelijk samen te werken met (semi) private partijen zoals woningcorporaties en kinderopvanginstellingen. Gemeenten krijgen vanaf 2009 geld uit het stimuleringsarrangement.
  • Ondersteunend personeel op de po-scholen inzetten om de werkdruk van schoolleiding en leerkrachten te verlichten. Juist in de grote steden en de krachtwijken is dit hard nodig. Daarom hebben de po-scholen in de 40 wijken die een aanvraag hebben ingediend, voorrang gekregen bij de toekenning van een loonkostensubsidie voor het aanstellen van een conciërge.
  • Scholen ondersteunen. In 2008 is het 'steunpunt Brede scholen' opgericht, vanwege de behoefte aan een loket waar men terecht kan met vragen. Het steunpunt is een duidelijk aanspreekpunt voor scholen en gemeenten en een eerste vraagbaak voor hen die zich (willen gaan) bezig houden met de brede school.
  • Onderzoek uitvoeren. In opdracht van OCW is in 2008 gestart met een longitudinaal onderzoek naar de effecten van de brede school. Hierdoor kan beter worden onderbouwd wat de meerwaarde vormt van brede scholen. Dit onderzoek loopt door in 2009.
  • Continue voorlichting geven aan scholen en gemeenten, bijvoorbeeld via www.bredeschool.nl.
  • Als proef werken aan een bundeling van geldstromen (van instanties waar scholen mee samenwerken; Rijk, gemeenten en derden), vooral via het vereenvoudigen van verantwoording.

Naar boven

Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Doelstelling 41: Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Goed onderwijs bereidt leerlingen voor op hun rol in de samenleving. Met de invoering van een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, wil het kabinet leerlingen laten ervaren hoe mooi het is om iets voor een ander te doen. En wat ook belangrijk is: de maatschappelijke stagiair van vandaag kan de vrijwilliger van morgen worden! De maatschappelijke stage kan zodoende ook op langere termijn een positieve bijdrage leveren aan de sociale samenhang. In het schooljaar 2011-2012 wordt de maatschappelijke stage een onderdeel van het kerncurriculum. OCW streeft ernaar dat 20% van de leerlingen in schooljaar 2008-2009 een maatschappelijke stage lopen. Dit percentage loopt op van 35% in 2009-2010, 65% in 2010-2011 naar 100% in 2011-2012.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Pilots uitvoeren. Vanaf schooljaar 2008/2009 wordt door middel van pilots stevig ingezet op het uitbreiden van het aantal leerlingen dat deelneemt aan de maatschappelijke stage. Er wordt informatie verzameld over factoren die in positieve zin bijdragen en knelpunten waar leerlingen, scholen en andere betrokken partijen tegenaan lopen. Zo is er aandacht voor de eventuele verdringing van beroepsstages in het vmbo, extra begeleiding voor praktijk en speciaal onderwijs en eventuele extra inspanningen van school en stagebieders om allochtone leerlingen aan een maatschappelijke stage te helpen. De pilots zijn geslaagd wanneer zij voldoende informatie opleveren voor de verdere vormgeving van de maatschappelijke stage. 
  • Ondersteuning bieden. De site www.samenlevenkunjeleren.nl en de helpdesk 'maatschappelijke stage' worden verder ingevuld om scholen, leerlingen, stageaanbieders en stagemakelaars goed te informeren en te ondersteunen. Daarnaast geven CPS en Movisie ondersteuning door middel van het aanbieden van starterspakketten, workshops en lesmateriaal.
  • Monitoren en evalueren. De invoering van de maatschappelijke stage wordt continue gevolgd. De pilots leveren belangrijke informatie op voor de tussenevaluatie die najaar 2009 plaatsvindt. Ook wordt input verkregen via scholen die niet deelnemen aan de pilots. De tussenevaluatie en de opgedane ervaringen van scholen zullen worden betrokken bij de verdere invoering van de maatschappelijke stage.

Naar boven

Het geleidelijk invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs

Doelstelling 42: Het geleidelijk invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs met ingang van schooljaar 2008-2009, en volledig per schooljaar 2009-2010

De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs zijn hoog. Zo zijn de prijzen van boekenpakketten de laatste vijf jaar aanzienlijk gestegen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door een beperkte marktwerking op de educatieve boekenmarkt. Het kabinet heeft besloten de schoolboeken gratis te maken voor de ouders. Zo wil het kabinet de kosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs verlagen en voorkomen dat kinderen zonder boeken op school komen, omdat ouders de rekening voor het boekenpakket niet betalen. Daarnaast wil het kabinet de marktwerking op de educatieve boekenmarkt verbeteren door scholen zelf te laten bestellen: de bepaler betaalt.

Doordat scholen niet op tijd boeken konden inkopen, rekening houdend met de aanbestedingsregels, zullen de boeken in het schooljaar 2008-2009 nog niet gratis verstrekt worden. In het schooljaar 2008-2009 krijgen alle ouders via de Sociale Verzekering bank of de Informatie Beheer Groep € 316 (prijspeil 2008) per kind in het (bekostigde) voortgezet onderwijs. Vanaf het schooljaar 2009-2010 krijgen de scholen voor voortgezet onderwijs deze € 316 per kind bij de lumpsum. Scholen hebben daarmee ook de verplichting om hun leerlingen gratis van lesmateriaal/schoolboeken te voorzien. Een taskforce van OCW ondersteunt scholen bij de aanbestedingsprocedure en eventuele juridische procedures.

Vanaf 2008 is voor gratis lesmateriaal/schoolboeken jaarlijks circa € 300 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er een overgangsbudget van € 46,5 miljoen verspreid over 2008 t/m 2010 beschikbaar voor eventuele extra kosten waar scholen tegenaan lopen. Deze tegemoetkoming wordt in het voorjaar van 2009 uitbetaald. Tegenover die kosten staat een verlaging van de uitkering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). De WTOS is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor ouders om de schoolkosten, en schoolboeken van hun schoolgaande kinderen te kunnen betalen. Nu scholieren in het voortgezet onderwijs gratis boeken krijgen, kan de tegemoetkoming voor die groep omlaag.

Naar boven

Het tegengaan van radicalisering

Doelstelling 59: Het tegengaan van radicalisering

In augustus 2007 is het rijksbrede actieplan tegen polarisatie en radicalisering naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 29754, nr. 103). Het doel van dit actieplan is het voorkomen en terugdringen van polarisatie en radicalisering in Nederland. Radicalisering kan de veiligheid op scholen beïnvloeden. OCW is verantwoordelijk voor het veiligheids- en radicaliseringsbeleid binnen OCW-instellingen inclusief het beleid voor de sociale veiligheid op scholen, en de rol van onderwijs bij de aanpak van radicalisering.

 Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

  • Instrumenten inzetten (concrete tools, kenniskring, informatie, kennis- en adviescentrum) die aansluiten op de vraag uit het onderwijsveld. Hiermee wil OCW dat instellingen en docenten – naar behoefte en op aanvraag – voldoende informatie en expertise krijgen op het gebied van polarisatie en radicalisering.
  • Beleid ontwikkelen om de sociale veiligheid op OCW-instellingen te verbeteren. Zo komen er onder andere veiligheidsmaatregelen voor onderwijsinstellingen die bijdragen aan het terugdringen van radicalisering op de scholen. In de brief aan de Tweede Kamer van november 2007 is het veiligheidsbeleid uitgewerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 29240, nr. 15).

Het kabinet stelt deze kabinetsperiode in totaal € 28 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van polarisatie en radicalisering. Dit bedrag staat op de begroting van BZK. Scholen en instellingen kunnen hun voorstellen indienen bij BZK.

Naar boven
Foto van een docent voor een schoolbord

Uw bekeken dossiers

Verwante sector

Verwante dossiers