Publicatie | mei 2009
Cultuur heeft in de eerste plaats een intrinsieke waarde die van belang is voor de ontwikkeling van individuen en voor de samenleving als geheel. Daarnaast draagt een bloeiende cultuur bij aan het creatief en innovatief vermogen van de samenleving, de ondernemingszin, de fysieke inrichting en het aanzien van Nederland. Cultuur heeft ook een samenbindend vermogen. Dit samenbindend vermogen geldt in het bijzonder voor het erfgoed. Het culturele erfgoed vormt de neerslag van onze gedeelde cultuur en geschiedenis. Participatie aan cultuur draagt bij aan een zelfbewustzijn dat onmisbaar is in een multiculturele samenleving. In de toegevoegde waarde voor de samenleving ligt mede de rechtvaardiging voor de ondersteuning van kunst en cultuur.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de publieke aandacht voor populaire uitingen zoals cabaret en populaire muziek is toegenomen, terwijl de interesse voor de meer traditionele kunstvormen nauwelijks groeit of zelfs afneemt. Daarom wordt in het beleid aandacht besteed aan cultuurbereik. Dit wordt vormgegeven in de subsidievoorwaarden aan de gesubsidieerde instellingen, en daarnaast in specifieke beleidsprogramma's zoals het Actieplan Cultuurbereik (tot en met 2008) en Cultuur en School. Begin 2009 is een nieuw fonds van start gegaan: het Fonds voor Cultuurparticipatie. Bijzondere aandacht is er voor de specifieke groepen allochtonen en scholieren. Het aantal jongeren dat in schoolverband een museum of een voorstelling bezoekt is door het beleid toegenomen. Er worden in Nederland de laatste decennia minder boeken en kranten gelezen, terwijl het internetgebruik sterk is gegroeid.
Naar bovenHet beleid richt zich op de instandhouding van een bestel dat een kwalitatief hoogwaardig en gevarieerd aanbod verzorgt waarbij er ruimte is voor ontwikkeling en vernieuwing. Gemeenten zijn per saldo de grootste subsidiënt van cultuur, vooral via accommodaties (podia, bibliotheken). Aan cultuur wordt minder dan 1 procent van de rijksuitgaven besteed.
Cultuuruitingen worden gemaakt door individuen en door kleine en grote instellingen van zeer uiteenlopende aard. Cultuurdragers zijn al even divers: film, monumenten, boeken, schilderijen, natuurhistorische objecten, fotos, archieven, kostuums, archeologische voorwerpen, et cetera. Daar komt nog bij dat Nederland een multiculturele samenleving is en een sterk internationale oriëntatie heeft. In de Cultuurnotaperiodes 2001-2004 en 2005-2008, is een groot aantal instellingen toegetreden tot het gesubsidieerde bestel. Dit heeft echter niet over de gehele linie geleid tot groei van het aanbod, noch tot groei van het publiek. Met name bij de podiumkunsten is dit het geval. Bij de film heeft het beleid juist wel geresulteerd in meer publieke belangstelling voor de Nederlandse film.
De beoordeling van de (artistieke) kwaliteit van de instellingen, die in het kader van de Cultuurnota subsidie ontvangen, gebeurt vierjaarlijks door de Raad voor Cultuur. In een Cultuurnotaperiodes voert de Raad drie hoofdactiviteiten uit: het volgen van het culturele veld, het vooradvies inclusief zogenaamde sectoranalyses en het Cultuurnota-advies, dat adviezen bevat over instellingen die subsidie hebben aangevraagd. Ook bij de Fondsen vindt de beoordeling van subsidieaanvragen primair plaats op basis van artistieke kwaliteit. In 2006 heeft de Kamer ingestemd met een wijziging van de Cultuurnotasystematiek die per 2009 is ingevoerd (Verschil Maken: Herijking cultuurnotasystematiek).
De Nederlandse cultuur ontwikkelt zich in een internationale context. Het is voor het aanzien van Nederland belangrijk dat Nederlandse kunstenaars zich manifesteren in het buitenland. Anderzijds is het van belang dat Nederlandse kunstenaars en het publiek kennis nemen van wat er in het buitenland gebeurt. Het gewicht hiervan neemt alleen maar toe in de multiculturele samenleving die Nederland is.
In de afgelopen jaren is het aantal uitvoeringen (en bezoeken daaraan) van gesubsidieerde instellingen in het buitenland toegenomen. In 2007 is er sprake van een terugval. De stichting internationale culturele activiteiten (SICA) speelt een overkoepelende rol bij de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid.
Naar boven
Media hebben een cruciale rol in het functioneren van de democratie. Dagbladen, opiniebladen en de publieke omroep zijn podia voor maatschappelijk debat. De moderne democratie kan niet functioneren zonder tussenkomst van de media, waarin uiteenlopende standpunten en stromingen een stem krijgen. Media stimuleren mensen een leven lang te leren. Dit aanbod moet onafhankelijk zijn, gevarieerd en van voldoende kwaliteit. Daarnaast zijn toegankelijkheid en betaalbaarheid erg belangrijk.
Het belangrijkste instrument van de rijksoverheid is hierbij de instandhouding van de publieke omroep. In een almaar voller wordend medialandschap (toenemende concurrentie door commerciële omroepen), en tegen de achtergrond van veranderingen in het mediagebruik (opkomst internet, afname gebruik radio) is dit een opgave van betekenis.
Naar boven